De klassieke oorhanger
Het bekendste model: een haakje door de oorlel met daaraan een hanger die vrij beweegt. De haak zit los in het oor, wat het comfortabel maakt maar ook de reden is dat hij er onderweg uit kan glijden. Wie er zuinig op is, zet er een rubberen stopper achter.
De hanger zelf kan van alles zijn: een steen, een schijf, een gedraaide vorm. Doordat de bevestiging licht is, kan het sieraad zwaarder zijn dan bij andere modellen zonder dat het trekt aan de oorlel.
Chandelier: breed uitwaaierend
Bij een chandelier hangen meerdere elementen naast en onder elkaar, waardoor de oorbel naar onderen breder wordt. Dat geeft veel beweging en glans en is bij uitstek een avondmodel.
Let bij dit type op het gewicht: de breedte betekent meestal meer materiaal. Chandeliers van filigrein of van dun geslagen metaal wegen weinig; dezelfde vorm in massief zilver voelt na twee uur zwaar.
Kwastoorbellen
Kwasten van zijde, katoen of dunne kettinkjes zijn licht, lang en vallen op zonder veel te wegen. Ze zijn daardoor geschikt voor wie wél lengte wil maar geen gewicht.
Nadeel is de kwetsbaarheid: een kwast van draad kan pluizen of in de knoop raken. Berg ze hangend op, niet in een doosje waarin ze platgedrukt worden.
Druppels en enkele hangers
Het rustigste model: één vorm aan een korte ophanging. Bij een druppel zit het gewicht laag, waardoor de oorbel stil hangt en niet zwaait.
Dit is het type dat ook overdag draagbaar blijft. Wie lange oorbellen wil dragen naar kantoor, komt hier meestal uit: lengte tot een centimeter of vijf, één vorm, weinig beweging.
Doortrekkers en kettingmodellen
Bij een doortrekker steekt u een dun staafje door het oor en valt er aan de achterkant een kettinkje naar beneden. Het effect is asymmetrisch en modern, en de lengte is vaak instelbaar door het kettinkje verder door te trekken.
Ze vragen wel een oorgaatje dat goed doorloopt, en ze zitten los: bij het uitkleden glijden ze er zo uit. Voor een avond prima, voor een dag met veel bewegen minder.
Wat de prijs bepaalt
Bij lange oorbellen zit de prijs zelden in de lengte maar in het materiaal en het handwerk. Een kwast van zijde met een verguld kapje kost een fractie van dezelfde vorm in massief zilver, terwijl beide er op een foto vergelijkbaar uitzien.
Handgezette kralen en filigrein zijn arbeidsintensief en daarmee duur; gegoten vormen zijn goedkoper naarmate er meer van gemaakt worden. Dat verklaart waarom twee schijnbaar gelijke oorbellen tientallen euro's uit elkaar kunnen liggen.
Asymmetrisch dragen
Een trend die inmiddels geen trend meer is: twee verschillende oorbellen, meestal één lange en één korte. Het werkt het beste als er iets gemeenschappelijks is — dezelfde metaalkleur, dezelfde steen, of hetzelfde thema in een ander formaat.
Wie het voorzichtig wil proberen, begint met één lange hanger en aan de andere kant een kleine steker in hetzelfde metaal. Dat oogt bewust zonder dat het opvalt als vergissing. Bij twee gaatjes per oor geldt hetzelfde principe: één opvallend stuk en de rest ondersteunend, anders wordt het rommelig.
Praktisch voordeel: u kunt een paar waarvan u één oorbel bent kwijtgeraakt gewoon blijven dragen, gecombineerd met iets anders. Dat scheelt zonde van een mooi sieraad.
Creolen met hanger
Strikt genomen geen lange oorbel, maar de combinatie van een ring met een hangertje eraan komt in dezelfde hoek terecht. De totale lengte blijft beperkt tot een centimeter of drie à vier.
Het voordeel is de sluiting: een creool klikt dicht en zit vast. Voor wie snel sieraden verliest of veel onderweg is, is dit het praktischste model. Zie ook Welke lengte past bij uw gezicht en uw kleding en Welke sluiting waarvoor.